Overwegingen
Vesper 9 mei 2010
’t Kerkje Vaassen
Welkom en inleiding op het thema:
Motivatie:
Gebeurtenissen 4 mei. Bange natie? We zoeken
naar rituelen voelen ons daarin verbonden. Een ongecoördineerde schreeuw kan
het dunne laagje aandacht, verbondenheid, doorbreken. We kunnen niet alleen
terugvallen op nieuwe rituelen, we moeten ook werken aan de inhoud daarvan. Een
van de manieren is het werken aan de ziel, het geloofsleven, van binnenuit.
Daarom in deze vesper aandacht voor ons
innerlijk geloofsleven.
Zodat wij het kunnen uithouden met het gemis,
met de angst, met verdriet waarvoor geen troost is.
Zodat wij ten diepste de vreugde ervaren die ons
ten deel valt; in ontmoetingen met mensen en met de Eeuwige.
Een
van de meest centrale beelden in de mystieke werken van Teresa van Avila
(1515-1581) is de tuin. Zij spreekt over haar geestelijk leven als een ‘tuin’.
In deze tuin wordt gewerkt: er wordt gezaaid en gespit, het onkruid wordt er
met wortel en tak uitgetrokken, de bloemen, planten en bomen worden verzorgd.
Om
de tuin vruchtbaar te maken moet de grond bevloeit worden met water.
Haar
tuin is niet alleen een plaats waar gewerkt wordt, het is ook een plaats, waar
ze God kan ontmoeten.
Genade
en vrede troost en hoop voor jou/u die hier gekomen bent
In de
liefde van de Eeuwige die ons draagt
Van
de zoon die ons inspireert
En
van de Geest die ons kracht geeft.
Gebed
Je
weet wat ik doe,
Waar
ik ga,
Waar
ik sta.
Ga
ik verkeerd,
Dan
roep je me terug.
Je geeft
me een duwtje
En
zegt; deze kant op.
Alleen
maar een duwtje heel zacht,
In
een andere richting.
Doe ik iets doms, dan ken jij mijn schaamte,
Je fluistert:
Het
geeft niet,
Begin
maar opnieuw.
En je helpt me.
Niet met je handen, maar ergens van binnen,
onzichtbaar zacht.
Jij kent mij al geen ander, god
Jij
weefde mijn weefsel,
Mijn
handen mijn voeten,
Mijn
hart en mijn nieren,
Mijn
diepste gedachten, mijn wezen.
Jij
kent mij van lijf en leden,
Van
buiten en binnen,
Van
vroeger,
Voor
nu en altijd.
Genesis 1: 1,2
Heb je in je leven ooit ervaren dat je
aangeraakt werd door een goddelijke Aanwezigheid, die als een vogel zweefde
over de wateren, de chaos van je ziel?
Stilte
TT 20: 1 (3 keer)
Tekst: Teresa van Avila
Inleiding 4 stadia waarin zij het omgaan met God
vergelijkt met een bron van water nodig om de tuin van de ziel te laten
gedijen.
Eerste stadium: water putten met de armen (veel
inspanning van de ziel)
Tweede stadium: scheprad (minder inspanning van
de ziel)
Derde stadium: stromend water van een rivier of
bron (god zelf neemt het als het ware over, aanraking van een bovennatuurlijke
aanwezigheid van God, het overkomt je, je ervaart het, het hele menszijn wordt
er in opgenomen, overgave aan God. Je kunt alleen nog met hem meegaan)
Vierde stadium: water uit de hemel Ervaring aan
menselijke taal voorbij. We kunnen slechts stamelen in beelden, paradoxen en
vergelijkingen.
1e stadium
Over zij die beginnen met het gebed, kunnen wij
zeggen, dat zij water uit de put halen en dat het hun veel moeite kost, zoals
ik gezegd heb. Zij moeten zich inspannen om hun zinnen tot inkeer te brengen.
Aangezien ze gewend zijn met verstrooiingen mee te lopen, kost dat veel
inspanning. Het is nodig dat ze zich er aan gaan wennen dat hun niets te zien
en niets te horen wordt gegeven. Zij moeten ook verwerkelijken in de uren van
gebed. Zij moeten in eenzaamheid verblijven en in afzondering over hun verleden
nadenken (dit moet iedereen vaak doen, zowel degenen die op de laagste trap
staan als degenen die op de hoogste trap staan)
4e stadium
Wij spreken nu over dit water, dat uit de hemel
neervalt om geheel de tuin overvloedig te drenken en te overladen. Men begrijpt
wat een rust de tuinier zou genieten als de Eeuwige nooit naliet het te zenden,
wanneer de tuin daar behoefte aan heeft. Men begrijpt, wat een genoegen het
voorhem of haar zou zijn, als het nooit winter werd; als het steeds zacht weer
was en er nooit bloemen of vruchten zouden ontbreken. Zolang wij leven is dit
onmogelijk. De tuiniers moet er altijd voor zorgen dat wanneer er een
watervoorziening ontbreekt, dat er een andere is.
die van de hemel komt dikwijls, als de tuinier
er het minst op bedacht is.
Als je je leven probeert voor te stellen als een
tuin, hoe ziet jouw tuin er dan uit? Welke bloemen en planten staan er in? Hoe
is het met de grond? Nat, droog, dor, koud, leven gevend?
Is het lente, zomer, herfst, winter?
Stilte
TT 162
Korte overweging rondom mystieke teksten Teresa
van Avila
Aansluitend bij de Paasoverweging de hovenier
die Maria tegenkomt in de tuin.
In het eerste stadium (putten met de armen)
spreekt Teresa over mensen die aan het begin staan vanhun geestelijke weg. Dit
begin wordt gemarkeerd doordat er iets van Godswege gebeurt, waardoor er een
existentiële ontvankelijkheid ontstaat voor de werking van Gods scheppende
aanwezigheid in de mens zelf.
Hij trekt het onkruid er uit en plant er goede
kruiden in. Uit de chaos schept god hier nieuwe mogelijkheden, waardoor de tuin
een plaats wordt waar het ‘woord van God’vruchtbaar kan worden.
Deze ervaring zet hen ertoe aan zich aan het
gebedsleven te wijden. De inoefening daarvan wordt aangeduid met de symboliek
van de tuin, die een ontmoetingsplaats wordt van God en mens.
In het begin is dat moeilijk. Je kunt je
nauwelijks concentreren en je aandacht vestigen op spirituele dingen.
Je bent nog gericht op het materiële, vele dingen versplinteren ons. In dit stadium
zoeken we naar inkeer, rust en stilte. De stilte werkt als een spiegel die ons
exact laat ervaren wat in ons leeft en onze aandacht vraagt.
In het licht van deze ruimte komen we onszelf
tegen. Ook de donkere kanten van het levensverhaal komen aan de oppervlakte.
Dat doet pijn!
Teresa spoort ons aan het leven van Jezus te overwegen. Wie hij was, wat hij deed.
Dan in het tweede stadium (water van een
scheprad).
We komen dichter bij innerlijke ruimte van het
gebed. Een ervaring die ons voert van het tijdelijk en het vele naar een ruimte
van rust en vertrouwen: god wandelt met ons mee!
Er groeit een relatie met de levende God met wie
wij in onze kern verbonden zijn. Deze ervaring zet een proces van ontlediging
op gang. “ik wil niets voor mijzelf.” In dit perspectief mag god wegsnijden wat
Hij wil. Het gevolg hiervan is een dorre periode, waarin we geen enkel teken
van levenskracht meer ervaren. De tuin is een dorre woestijn geworden. Water
halen uit de put heeft geen zin, zoals teruggaan naar de actieve meditatie en
overwegingen.
We moeten aan het werk in onze eigen tuin, met
onze handen in de grond en ploegen en zwoegen. Als we diep genoeg gespit hebben
kan de grond weer ademen.
Het gaat erom dat we bevrijd worden van datgene
waarin we verstrikt zijn geraakt.
Daaruit bevrijd worden, en de leegte de leegte
laten en deze niet opvullen. Dan ontstaat er een houding van nederigheid, dit
is leven vanuit het contact met de ‘grond’van ons bestaan. De stuwende kracht
van verlangen baant zich in de diepte een weg. Deze levensdrang doet de bloemen
van de ziel oprichten in het verborgene. We zijn gestorven om te herrijzen uit
de Bron waaruit alle leven voortkomt.
De derde manier van bevloeien is met stromend
water uit de rivier of een bron. Het godsverlangen stroomt als een dynamische
krachtbron door de tuin van de ziel. Dit verlangen vindt zijn oorsprong in een
mysterieuze bron, die aan alles voorafgaat, en die een kracht heeft die verder
reikt dan onze menselijke vermogens.
Hier stroomt het godsverlangen naar de mens toe,
die het gebed als een stuwing doortrekt. In dit gebeuren wordt de mens passief
en neemt God hier de taak van de tuinman over. Het enige wat de mens kan doen
is meegaan met de stroom, zich mee laten voeren en geen weerstand bieden. We kunnen zelf niet veel meer verrichten in
onze tuin, want onze vermogens slapen. Met al onze vermogens zijn we afgestemd op
het Verlangen, dat naar ons toekomt als genade op bovennatuurlijke wijze.
De menselijke activiteiten in de meditatie en de
overweging schieten tekort. Hier worden we geopend voor een diepere dimensie.
Er is een levende toewending van God naar de mens en van de mens naar God. God
is degene die werkt. De mens ondergaat deze werkzaamheid.
Deze toewending vraagt van de mens: loskomen van
zichzelf, uit zichzelf treden, instemmen met de goddelijke wil, ja-zeggen tegen
god om omgevormd te worden.
Instemmen met Gods wil betekent dat god ons mag
scheppen naar zijn evenbeeld. Dit vraagt een toevertrouwen aan, zich mee laten
voeren door de Wijsheid die vervoert. Dit is een ervaring waarin we geen greep
hebben op onszelf. Het is een grenservaring. Door deze aanraking wordt de ziel
uit zichzelf weggetrokken en opgenomen in de alomvattende werkelijkheid van de
Wijsheid van god.
Vierde stadium
Het water daalt overvloedig neer uit de hemel,
als genade die in onze ziel gestort wordt. God treedt binnen in de tuin van de
ziel.
Er is ruimte voor de onmiddellijke ontmoeting
tussen god en mens, van ik in jou en jij in mij. God als diepste
liefdesantwoord, dat heel het menselijk bestaan doordringt. Wij kunnen enkel
naar deze ontmoeting verlangen. We zouden graag deze mystieke ervaring
vasthouden. Dat kan niet, ons verlangen is onmachtig: de beminde komt uit eigen
beweging.
De praktijk van het dagelijks leven is dat het
weer winter wordt; de Beminde trekt zich terug.
Stilte
Orgelspel
Samen bidden wij het “Onze Vader Aramees”.
Bron
van zijn, die ik ontmoet in wat me ontroert,
ik
geef U een naam opdat ik U
een
plaats kan geven in mijn leven.
Bundel
Uw licht in mij –
maak
het nuttig.
Vestig
uw rijk van eenheid nu.
Uw
enige verlangen handelt dan
samen
met het onze.
Geef
ons wat we elke dag nodig
hebben
aan brood en inzicht.
Maak
los de koorden van fouten
die
ons vastbinden aan het verleden,
zoals
ook wij anderen hun misstappen vergeven.
Laat
oppervlakkige dingen ons niet misleiden.
Want
uit U wordt de alwerkzame
wil
geboren,
de
levende kracht om te handelen,
het lied
dat alles verfraait:
en
dat zich van eeuw tot eeuw vernieuwt.
Amen.
1e
eeuw, vertaling Bram Moerland
Gaven
Zingen TT 171:1,2,5,6.
Zegen
Voorganger:
ds Marianne Gaastra (marianne-gaastra@hotmail.com)
Organist:
Jan van Garderen
Als U dit uit wil printen
klik dan hier
Overdenking op de paasmorgen
4 april 2010. VGV.
Thema: zij dacht dat het de
hovenier was….
Het is een wonderlijk begin
van deze eerste dag van een nieuwe week. Eigenlijk is het de achtste dag, de
dag van de Levende!
Wat gebeurde er volgens de
evangelisten allemaal op die paasmorgen.
Matteus ziet twee vrouwen
naar het graf gaan als de dag gloort.
Marcus beschrijft dat drie
vrouwen bij het ochtendgloren op pad gaan.
Lucas neemt het verhaal van
Marcus deels over.
Alleen Johannes laat Maria
uit Magdala nog in het donker naar het graf gaan.
Er gebeurt van alles.
Wonderlijke verhalen. Als je de bijbelse verhalen historisch leest
blijven ze je vreemd, houd je
ze ver van je…..
En dat is niet de bedoeling.
Immers, de verhalen zijn ons gegeven om onze eigen levenservaringen te kunnen
spiegelen.
We hebben geluisterd naar het
gedicht van Ida Gerhardt. Ze vertelt over een jeugdherinnering; hoe een
schilderij van Rembrandt, een Bijbelverhaal en haar eigen levensverhaal tot één
geheel zijn samengesmolten en hoe dat geheel haar tot troost is geworden.
Kom laten we samen op weg
gaan naar de paashof waar Jezus is neergelegd in een soort graftombe…..Het ging allemaal vlug in zijn
werk op goede vrijdag toen Jezus was gestorven. Het moest zo haastig gebeuren
omdat voor de sabbat één en ander geregeld diende te zijn. Op de sabbat konden
ze niets anders doen dan afwachten. Wat een vertwijfelde stilte zal er bij de
vrienden op die sabbatdag geheerst hebben. Iedereen bezig met eigen gedachten,
eigen vragen, eigen zorgen, eigen problemen. Verwarring; onbegrip!
Waarom moest dit gebeuren, waarom
liep het zo af? Hoe zal het met ons gaan? Angst voor de toekomst en verlangen
naar de tijd met Jezus in hun midden.
Eindelijk was de sabbat
voorbij en mocht er weer beweging komen.
Wij volgen samen met
Johannes, de evangelist, de bekende Maria uit Magdala.
Johannes begint zijn verhaal
in het donker: Nog in het donker zien we Maria Magdalena, zoals wij haar
kennen, naar het graf gaan. Ze verwacht op de steen te zullen stuiten maar
ontdekt dat de steen is weggerold. Het graf is open. Ze schrikt daar zo van dat
ze meteen terug gaat naar Simon Petrus en Johannes om hen op de hoogte te
stellen van de weggerolde steen. Het gaat allemaal vlug in z’n werk. Het duurt
maar even dan zien we Petrus en Johannes al aankomen. De één loopt nog sneller
dan de ander. Johannes kwam als eerste aan maar ging niet direct het graf
binnen. Petrus doet dat wel. Ze constateren dat het graf leeg is en gaan dan
weer naar huis.
Het is inmiddels lichter
geworden. Kijk, daar staat Maria nog; ze huilt. Ze buigt zich naar het graf en ziet
twee engelen zitten. Ze vragen: Waarom huil je? Domme vraag, moet ze gedacht
hebben, maar ze zegt de reden toch: “en nu weet ik niet waar ze hem naartoe
gebracht hebben”…… Zo is het wel genoeg; ze draait zich om en wil liever alleen
zijn
met haar verdriet. Toch is ze
daar niet alleen. Door een waas van tranen ziet ze opeens iemand staan. De
tuinman, denkt ze, de hovenier. Weer die vraag: Waarom huil je? Wie zoek
je? En het antwoord van Maria: Als u
hem weggehaald hebt zeg dan tenminste waar hij is dan kan ik hem meenemen……
Ondertussen houden wij de
adem in; wie is die man, die hovenier? Wat zal hij zeggen? Als Maria zwijgt
klinkt het: Maria! En zij weet dan
ogenblikkelijk met wie ze te doen heeft: Rabboeni! Meester, zegt ze verrast.
En Jezus antwoordt: Vertel
maar dat je me hebt gezien!
Ze gaat terug de wereld in,
nu met een nieuw verhaal.
En wij, wij zijn nog in de
hof, de paastuin rond het graf op de paasmorgen;
misschien de hof van heden.
We hebben in de loop der jaren heel wat geestelijke bagage meegekregen.
Het kan overbodige ballast
betekenen maar we kunnen er ook iets aan hebben bij het ontwikkelen en weven
van ons eigen levensverhaal.
Ida Gerhardt beschrijft in
het gedicht “Pasen” hoe wonderlijk je soms op een ander spoor kunt komen met je
gedachten. Haar ontmoeting met het kind dat totaal verrast zijn eigen naam ziet
opkomen uit de zwarte aarde! Hoe dat kind haar enthousiast mee laat delen in
zijn verwondering! Een prachtige paasmorgen die voor haar droevig begon.
Zo kan ook de ontmoeting van
Maria met de Hovenier op een bijzondere manier op je leven inwerken. We staan
daar in de hof op de nog zwarte aarde. Ook in de hof is de Hovenier; de nieuwe
adam, de nieuwe mens. Hij wijst op de grond voor onze voeten.
En tot onze verbazing staat
daar onze naam in sterrenkers gegroeid. Alles wat we hebben meegenomen aan
angst en verdriet, aan onmacht en onvrede verbleekt als je openstaat voor de
verwondering dat je bij name wordt genoemd.
Maria die de Hovenier
herkende als haar meester moet terug naar de hof van heden. De betovering is
weg. Ze moet gaan vertellen wat ze, misschien maar even, gezien, gevoeld en
ervaren heeft. Hoe zij daar in de paastuin is opgestaan!
Eerst dacht ze dat het een
hovenier was staat er geschreven.
Wij weten dat het de Hovenier
is.
Hij behoedt en bewaart en
bewerkt de schepping.
Hij nodigt ons uit op deze
dag van de Levende op te staan.
Je herkent jezelf op het
moment dat je aangesproken wordt met je naam.
Het gaat om jóúw opstaan, om
ons opstaan.
Wij wandelen met Hem in de hof
van heden; een tuin die bloeit, ook rond het open graf. Kijk onze namen als
sterren gezaaid in het licht van de paasmorgen. Wij mogen zien, wij mogen horen
en wij zullen opstaan. En lachen en juichen en leven!
Drie gedichten die bij de overdenking
gebruikt zijn:
Een diep verdriet dat ons is
aangedaan
kan soms, na bittere tranen,
onverwacht
gelenigd zijn. Ik kwam langs
Zalk gegaan
op paasmorgen, zéér vroeg op
den dag.
Waar onderdijks een stukje
moestuin lag
met boerse rijtjes primula’s
verfraaid,
zag ik,zondags getooid, een
kindje staan.
Het wees en wees en keek mij
stralend aan.
De maartse regen had het ‘s
nachts gedaan;
daar stod zijn doopnaam , in
sterrekers gezaaid.
Ida Gerhardt
Als U dit uit wil printen klik dan hier
|
CHRISTUS ALS HOVENIER Eén Rembrandt kende als kind ik goed: Ida Gerhardt Maria
in de hof van Eden geïnspireerd
op het gedicht van Michel van der Plas: Maria Magdalena op de Paasmorgen Toen
al de anderen waren heengegaan, de
vrouwen, die eerst bij mij waren. de
mannen die later zijn gekomen -
ik zag ze nog redetwisten en gebaren Petrus...
en Johannes - , werd
het stil, stiller dan ooit in de hof. En
ik besefte opeens, dat ik alleen was, alleen
... met mijzelf. Ik
wist mijn leven weer weerloos open voor
de demonen van weleer Zeven
had hij eruitgedreven zeven
maal zeventig keerden ze weer.. Pas
toen hij stierf werd ik mij bewust hoezeer
hij mijn zekerheid was, mijn rust Ik
kan niet weg... Nog
liever bij hem in de dood
dan
zonder hem in dit leven
aan
mijzelve prijsgegeven..
Zo
stond ik bij het graf, ik
kon niet weg.... geboeid
door Hem, gebonden
aan zijn dood... Zelfs
de hof, een
spooktuin leek het, vals
zoals
ze uitbrak in nieuw leven.
ik
keerde mij om, veegde
met een mouw mijn tranen weg toen
ik de tuinman zag. Hij
stond er, gerust en groot
en
toen hij naar mij keek was
het alsof ik niet meer alleen en
het graf achter mijn rug niet
meer zo hol en ledig was ..
"Maria" zei
hij... Ja
ik weet het, ik
heb het al zo vaak verteld
maar
steeds moet ik het herhalen
wel
duizend malen... hoe
– toen hij mij noemde bij
mijn naam – niet
hij, maar ik ben opgestaan, verrezen,
herboren Ik
vloog hem om de hals kuste
hem vol vreugde en
wilde hem nimmer nooit
meer, never laten
gaan.. "Rabboeni..." mijn
meester... En
het was alsof de bloemen pas
bloemen werden en
de bomen groen. toen,
toen
hij mij aankeek mij
riep bij mijn naam en
mij op weg stuurde het
leven in... Die
morgen was mijn Genesis
De
graftuin was mijn hof van Eden Daar
wandelde ik met mijn Heer Daar
riep God mij bij mijn naam.
Daar
ben ik begonnen voorzichtig
begonnen nu
eindelijk ook zelf te bestaan... Werkelijk
ik heb mij niet vergist...
Hij
ís de hovenier.
|
|
|